Klank van de oorspronkelijke Prestant

De klank van de oude prestant, in die tijd ook wel Doof of Sourd (Frans) genoemd, was anders dan we gewend zijn van de huidige orgels. Georg Audsley beschrijft de klank van oude Engelse Prestanten (Diapasons) als:

Een boventoonrijke, zachte klank zonder grote kracht. De Prestant was geïntoneerd op een soepele wind met lage druk. De mensuur was relatief wijd en de toon zacht.

In Duitsland schrijft Winfred Ellerhorst:

De oude Prinzipalklang is rustig zingend, soepel en zonder opdringerigheid. De vorm van de kern leidt de luchtstroom meer buitenwaarts dan onze moderne prestanten. Het bovenlabium is daarom meer naar voren getrokken en hiermee ontstaat een aangename zingende Prinzipalklang overeenkomend met de oude Engelse Diapasons. Gottfried Silbermann intoneerde zijn Principals op deze wijze.

Om het orgel toch een krachtige klank te geven waren er meerdere pijpen in verschillende voetmaten per toets aanwezig. Deze vormden samen het Blokwerk. Als contrast kon op een tweede klavier een enkele Prestant klinken. Deze zachte Prestant kreeg de Oudnederlandse benaming: Doof. De klank van deze rustige maar wel glanzende Prestantklank is ideaal voor een Huisorgel.

Het boek Bouw van een Orgelpositief beschrijft alle bijzondere eigenschappen van de Prestant.

Prestantpijpen van hout ?

Een prestantklank is een kenmerkende, goed gedefiniëerde klank. In de verhoudingen van de boventonen zijn voorkeursfrequenties hoorbaar die formanten worden genoemd. Ondanks het feit dat er veel varianten mogelijk zijn, voldoet toch elke prestant aan de definitie en is altijd als prestantklank te herkennen. Deze klank is uitsluitend met metalen pijpen te bereiken. De metalen wand van de pijp moet dun zijn om het corpus in resonantie te kunnen brengen. Het corpus wordt daarom naar boven toe dunner geschaafd om de resonantie van de gewenste boventonen te bevorderen. Dit alles werkt mee aan de typerende klank van de prestant.

Met houten pijpen een Prestantklank maken is niet mogelijk
Helaas zijn er toch orgelbouwers die menen dat hun houten pijpen wel een prestantklank kunnen produceren, hoewel ze er niet in slagen om de typerende kenmerken van de klank te laten horen. Door een enge mensuur te kiezen wordt wel bereikt dat meer boventonen zich kunnen ontwikkelen, maar dat gaat ten koste van de grondtoon en het dragende karakter gaat zo verloren.

Waar houten pijpen geen prestantklanken kunnen produceren, kan een Hauptwerkorgel dat perfect. Bij het vergelijken van de Prestant van mijn huispijporgel met mijn Hauptwerkorgel is niet te horen of de klank uit een pijp of uit een luidspreker komt. Alle karakteristieke eigenschappen van een metalen Prestant zijn overtuigend aanwezig. Wie dat zelf wil vaststellen is bij mij welkom om een goed geïntoneerd Huispijporgel te vergelijken met een Hauptwerkorgel.

                                                 
   Deutsch
    English
Toonvorming in een orgelpijp

Het ontstaan van de toon in een orgelpijp is een complex verloop van windstromen die de toonvorming karakteristiek voor een orgelpijp maken. Het is een ingewikkeld proces dat uitvoerig is beschreven door Winfried Ellerhorst in zijn boek Handbuch der Orgelkunde. Hieronder volgt een samenvatting die zowel voor open als gedekte pijpen geldt.

Wanneer de windstroom uit de kernspleet het bovenlabium treft, ontstaan wervelingen die de druk op de in het pijpcorpus aanwezige luchtkolom doen toenemen. Deze verdichte luchtkolom zal een opening zoeken om te ontspannen en vindt deze bij de opsnede. De wervelende wind uit de kernspleet wordt naar buiten gedrukt wat een verdunning van luchtkolom ten gevolge heeft. De volgende wervel uit de windstroom wordt naar binnen gezogen; het veroorzaakt een drukverhoging waardoor de cyclus zich herhaalt. De eerste wervels, hoorbaar als voorlopertonen, zijn belangrijk voor de articulatie van de toon. Het maakt de toon levendig en ze accentueren het karakter van het register.

De windstroom oscilleert op het bovenlabium en is een cyclus van naar binnen en naar buiten gaande wervelingen. De intonateur bepaalt hoe de voorlopertonen overgaan in de opbouw van de toon naar de volle sterkte. Met zijn vakmanschap kan hij bij elke pijp de optimale klank bereiken, maar hij kan ook kiezen voor een klank die niet afwijkt van de naastliggende pijp. Artistieke overwegingen tussen de mooiste klanken of de beste egaliteit bepalen zijn keuze. Het is de charme van de orgelklank dat de pijpen onderling verschillen. Een koor van geschoolde zangers bestaat ook uit mensen met stemmen die verschillen maar wel harmoniëren.

met muis aanraken
toont de wervelingen
start
hauptwerk
convolutie
intonatie
boekenhw
sample sets
orgels in mijn huis
martini
schnitger
bader
anloo
klapmeyer
casavant
holzhey
serassi
hinsz
contact
tafelpositief
boeken over orgebouw
betellen van boeken
metalen pijp maken
prestant
holpijp
mini-orgel
linked sites
De Prestant is de typerende eigen stem van het orgel, de klank is autonoom en niet afgeleid van een orkestinstrument. Altijd staat de Prestant in het front en hieraan heeft het zijn naam te danken; het Latijnse prestare betekent: vooraan staan. De metalen pijpen stralen het muzikale karakter uit, een glanzende zingende klank, die alleen door metalen pijpen kan worden voortgebracht. Hout mist de eigenschappen die voor een prestantklank noodzakelijk zijn.

Het karakter van een orgel wordt bepaald door zijn prestant. Binnen bepaalde grenzen kan de klank variëren zonder verlies van zijn typerende eigenschappen:
                                 krachtig - dragend - zingend - boventoonrijk
De orgelbouwer stelt het mensuurverloop vast die dit klankkarakter over de hele toonomvang laat horen. Deze mensuurlijst vormt tevens de grondslag voor de berekeningen van de overige stemmen.

De Duitse naam Principal betekent hoofdregister, de basisklank van het instrument. In Frankrijk krijgt het de naam Montre, maar de klank ervan wijkt af van de Prestant of de Principal. Bij de oudste orgels werd de klank versterkt door meerdere prestantpijpen in een blokwerk te laten samenklinken.

Deze sterke klank heette het plenum en de intonatie van de afzonderlijke pijpen was gericht op één krachtige samenklank. Een van de oudste prestantnamen is de Doof , in Frankrijk de Sourd. De betekenis van deze naam is: zachte klank. Met het register Doof op het tweede klavier koos de organist een zachte klank als contrast tegenover het krachtige plenum van het blokwerk.

Prestant 8’
Het belangrijkste register van een orgel is de Prestant 8’. Het is het eerste register dat ooit voor een orgel werd gemaakt  en waar bij andere registers overeenkomsten met de klanken van orkestinstrumenten zijn te horen, is de Prestantklank absoluut uniek. Een Kerkorgel zonder Prestant is ondenkbaar en ook een Huisorgel is pas compleet als het een Prestantregister heeft.

Formant
Bij elk muziekinstrument is de klankkleur  de meest bijzondere eigenschap voor de herkenbaarheid van dat instrument. De klankkleur wordt de formant genoemd door de grote overeenkomst met de eigenschappen van de menselijke stem wanneer de mond- en keelholte de klinkers vormen. Een formant is een groep boventonen die onafhankelijk van de grondtoon bij elke toon is te horen. De boventonen krijgen niet allemaal dezelfde versterking, een groep boventonen krijgt meer versterking omdat het klanklichaam – bijvoorbeeld het corpus van een viool of de beker van de trompet – in resonantie komt met de frequentie van deze boventonen. De mate van versterking is bij elk instrument verschillend; een trompet heeft een duidelijke piek in de resonantiefrequentie. Bij een viool wordt getracht om een piek te vermijden en de resonantie over een zo breed mogelijk gebied te verdelen.

Formanten van orgelpijpen
Bij orgelpijpen komt elke toon uit een andere pijp en lijkt er geen overeenkomst te zijn met muziekinstrumenten, waar alle tonen dezelfde resonator hebben. Toch is deze formant wel aanwezig en dit is mogelijk omdat de diameter van de pijp, die de klank bepaalt, niet gelijklopend met de toonlengte afneemt. Op deze manier is de versterking van de boventonen bij elke pijp verschillend, maar het hoorbare resultaat is over een groot gebied gelijkblijvend.

De formantfrequentie van een Prestant ligt in een gebied rond de 1000 Hz. Bij een Viola is dat hoger 1700 Hz. Bij het vaststellen van de mensuren heeft de orgelbouwer de formant bepaald. De formantfrequentie van een Trompet ligt ook in het gebied van de Prestant, dus rond de 1000 Hz en daarom past de Trompetklank zo goed bij de Prestantklanken.