


Wellenbord voor een Orgelpositief
uit het boek: Bouw van een Orgelpositief
Aan welke eisen moet een ideale tractuur voldoen? Een organist bespeelt het orgel vanaf het klavier. In feite is dat klavier een tussenschakel, want de werkelijke bespeling vindt plaats door een ventiel in de windlade te openen. De wind stroomt dan in de pijp en deze begint aan de opbouw van de toon. Het juiste moment daarvoor bepaalt de organist, evenals de wijze waarop de pijp zijn toon gaat opbouwen. Legato, non legato of staccato, elke nuancering in zijn spel beïnvloedt de wijze waarop de pijp zijn toon gaat opbouwen. Dit kan alleen maar tot zijn recht komen als de ventielen onmiddellijk en adequaat reageren op de toetsbewegingen. Een vereiste daarvoor is een ongecompliceerde en zonder vertraging functionerende verbinding tussen toets en ventiel. Een directe tractuur – zo heet die verbinding tussen klaviatuur en windlade – is hier ideaal. De trekdraad gaat dan rechtstreeks van de toets naar het ventiel en deze opent op de manier die de organist wenst. In de praktijk is deze constructie alleen uitvoerbaar als de breedte van de windlade overeenkomt met die van het klavier. Iedere toets ligt dan recht onder het bijbehorende ventiel. Gewoonlijk is er echter een groot verschil in breedte. Op de foto lijkt dat verschil wel mee te vallen, maar dat is vertekening, de breedte over de cancellen is 89 cm, terwijl de breedte over de toetsen 75 cm bedraagt. Er bestaan verschillende methodes om dit verschil te overbruggen. Eén ervan staat beschreven in mijn boek Huisorgelbouw in Beeld. Hier is een balansklavier toegepast; de toetsen kantelen in het midden op een draaipunt, waardoor het achtereinde omhoog komt wanneer de toets aan de voorkant naar beneden gaat. Het omhooggaande deel duwt tegen een hefboom, die ook weer een kantelpunt heeft, zodat het andere eind een tegengestelde beweging naar beneden maakt. Een trekdraad verbindt de hefboom met het ventiel en trekt deze open. Door de hefbomen in een schuine opstelling onder de windlade te laten verlopen is het verschil in breedte tussen toetsenbord en de aangrijppunten op de windlade overbrugd. De achterkanten van de hefbomen liggen recht boven de achtereinden van de toetsen en – verspreid naar voren liggend – bevinden de voorkanten van de hefbomen zich recht onder de ventielen.
Ten opzichte van een kerkorgel heeft een huisorgel korte verbindingen tussen toetsen en ventielen. In de praktijk is dat niet altijd een voordeel omdat hier maar weinig ruimte voor een goede tractuur beschikbaar is. Een balansklavier is niet ideaal om een genuanceerde bespeling over te brengen. Het kantelpunt ligt vrij kort achter de plaats waar de toets wordt bespeeld en het aanstoten van de hefboom vormt een hindernis. Er is nog een verschil.
In de windlades van kerkorgels zijn de ventielen groot en is de winddruk hoog. Niet alleen een veer maar ook de winddruk houdt het ventiel gesloten. Bij het openen van een ventiel tegen de winddruk in ondervindt de organist daarvan de weerstand. Deze verdwijnt zodra via het geopende ventiel de wind in de cancel stroomt. Bij het spelen is dat als een duidelijk drukpunt voelbaar waardoor het moment dat de pijp gaat klinken heel precies is te bepalen. Een organist zou zijn huisorgel op dezelfde manier willen bespelen, maar door de kleine ventielen en de veel geringere winddruk doet dat drukpunt-effect zich nauwelijks voor. Indien er hefbomen tussen toetsen en ventielen aanwezig zijn, kan de orgelbouwer enige vrije ruimte laten tussen toetsbeweging en het moment dat de ventielen gaan reageren. Het lijkt dan alsof er een drukpunt aanwezig is. Het effect is echter anders dan bij een kerkorgel en wat erger is, het bemoeilijkt een fijne articulatie in de bespeling.
De draadverbinders zien er uit als onderdelen van een kroonsteen, maar mogen hier niet door worden vervangen; de kwaliteit is niet hetzelfde. De trekdraad aan de andere wellenarm gaat naar beneden door een gat in de toetsarm, ongeveer 18 tot 20 cm achter het begin van de toets. De draaddiameter is 1,2 mm en het gat moet voldoende ruim zijn geboord om de toetsen ongehinderd te laten bewegen. Aan de onderkant van de toets kan met Gewindeklemm 1 101 06 van Laukhuff nauwkeurig worden afgesteld.
Met verdwijnen van de afstelmogelijkheden op de welarmen werd het mogelijk het wellenbord compact te bouwen. De wat grove bouw van wellenborden voor kerkorgels is hier vervangen door fijnmechanica. In een orgelpositief vinden geen grote krachten plaats. De wellen zijn van messing staaf met een diameter van 5 mm, de wellenarmen krijgen een diameter van 3 mm. Door nauwkeurig te werken is het geen probleem om een gat van 3 mm precies in het midden van een 5 mm staaf te boren. De 5 mm wellen heb ik aan de einden op een diameter van 3 mm afgedraaid. Wie niet zelf een draaibank heeft kan dit werk ook uitbesteden. De lagerblokjes maakte ik van ahorn, het mag ook van perenhout o.i.d. zijn maar beslist niet van eiken. Het looizuur daarvan heeft een vernietigende werking op het messing. Door de geringe beweging van het gladde messing in het houten blokje treedt er nauwelijks slijtage op. De gaten hoeven niet met kernlaken worden ingevoerd, de assen draaien geluidloos en soepel in de blokjes. De afmetingen zijn 10 mm hoog en 8 mm breed en met een lengte van 16 mm is er een mogelijkheid om ze met een schroefje vast te zetten. Ik heb dat niet gedaan, witte houtlijm, mits goed verwerkt, heeft voldoende sterkte. Enkele verkeerd aangebrachte blokjes die ik weer wilde verwijderen bewezen dit. Op deze manier kon een wellenbord met een hoogte van 14 cm worden gebouwd. De afstand tussen windlade en toetsen is slechts 10 cm meer dan bij het huisorgel met balanklavier. De hangende tractuur met dit wellenbord biedt echter het voordeel van een zeer genuanceerd toucher. Het klavier is gebouwd als staartklavier en laat de toetsen op grote afstand van hun aanslagpunt kantelen. Daarmee kan de organist de toonvorming in de pijp nauwkeurig bepalen. Vanzelfsprekend moeten de pijpen wel op een perfecte toonvorming zijn gemaakt; traag of ruisend aansprekende pijpen gaan met dit wellenbord niet beter klinken. De voorlopertonen (spuck) van goede pijpen zijn door de manier van bespelen wel of in mindere mate hoorbaar.

Het wellenbord is gemaakt van 12 mm multiplex en aan de windlade gemonteerd. De breedte hangt af van de ruimte tussen windladedragers, (bij Opus 11 89 cm) de hoogte is 14 cm. Op de tekening is de verdeling van de wellen te zien. De afstand tussen de trekdraden naar boven is gelijk aan de canceldeling. Per klavier zal de onderlinge afstand tussen de trekdraden naar de toetsen gelijk zijn. De normafstand tussen twee toetsen is 13,82 mm. De foto en de deeltekening geven het principe van de verdeling der wellen aan. Wie het gaat nabouwen moet zelf de verdeling tekenen. Maak een 1:1 tekening van de voorkant van de windlade en bepaal de plaats van de cancellen. Leg een tekening van het klavier – ook aan de voorkant gezien – onder de windladetekening en zorg dat de grotere breedte van de windlade symmetrisch over de klavierbreedte wordt verdeeld. Een van de toetsen blijkt dan recht onder de bijbehorende cancel te liggen, bij mij was dat f-klein. Hier hoeft geen wel te komen. De wellen links van deze lijn brengen een toetsbeweging via een wel naar een linksgelegen cancel, de andere wellen brengen ze naar meer rechtsliggende cancellen. Het is een aardige puzzel om dit zo gunstig mogelijk te verdelen.
De schaal van de aldus ontstane tekening is 1:1, de lengte van een wel tussen de lagerblokjes is dus eenvoudig af te meten. Aan beide zijden komt daar 5 mm bij plus een stuk van 8 mm dat wordt afgedraaid tot een diameter van 3 mm. Dat niet iedereen over een draaibank beschikt hoeft geen bezwaar te zijn, dit werk kan aan een beroepsdraaier worden uitbesteed. Doe dat vóór het boren van de 3 mm gaten. Het gat in het lagerblokje is een 0,1 mm meer, dus 3,1 mm.
Boor aan weerszijden van de wel, 5 mm vanaf het einde, een gat van 3 mm voor de wellenarm. De wellenarmpjes zijn 34 mm lang ; aan één kant wordt de wellenarm over 10 mm aan beide zijden vlak geslepen. Boor een gat van 2 mm in dit vlak geslepen deel.
Klem de wel in een bankschroef onder de kolomboor en gebruik een boortje dat slechts 6 mm uit de boorkop steekt om het verlopen van de boor voorkomen. De wellenarm wordt in een gat gestoken en moet enigszins aan de andere kant uitsteken om te worden vast gesoldeerd. Strijk met een stearinekaars over de te solderen delen om het vloeien van het soldeer te bevorderen. Met een draad door de 2 mm gaten van de beide welarmen blijven deze tijdens het solderen in de goede stand gefixeerd. Neem een soldeerbout van voldoende capaciteit (liefst 100 Watt of meer) en gebruik weinig soldeer, de enige functie ervan is het draaien van de arm te voorkomen. Na afkoeling is eventueel overtollige soldeer met een vijl te verwijderen. De laatste bewerking is het oppoetsen met fijn staalwol, waarna het eindproduct er uitziet zoals de foto toont.
De afstelling van de juiste lengte moest naar een andere plaats verhuizen. In ruststand moet de wellenarm iets boven het horizontale vlak liggen, in getrokken toestand ligt deze dan daar iets onder. Kleine afwijkingen hiervan doen aan de goede werking niets af. De juiste lengte van de draad vanaf het ventiel kan op het oog worden bepaald of met draadverbinders van Laukhuff op lengte worden gebracht.
Het wellenbord
Bij kerkorgels is de windlade aanmerkelijk breder dan een klavier. Het verschil in breedte wordt hier overbrugd met een wellenbord. Het is een systeem dat al eeuwenlang nauwelijks wijzigingen kent. Niet alleen in kerkorgels zijn ze te vinden maar ook in huisorgels. Wellen zijn horizontaal geplaatst assen; haaks hierop bevinden zich de wellenarmpjes aan de beide einden van iedere wel. De wellen draaien om hun as. Aan de ene arm gaat een trekdraad omhoog naar het ventiel terwijl de andere arm via een draad aan de toets vast zit. Indien de verbindingen goed zijn aangebracht heeft het systeem alle voordelen van een directe tractuur. Het heet een hangende tractuur, aan de organist geeft het de beste mogelijkheid om een duidelijke articulatie in zijn spel te laten klinken. De toetsarm kan hier lang zijn waardoor het kantelpunt ver naar achteren ligt. Dit klavier heet een staartklavier, het geeft een aangename en precieze manier van bespelen. Dat de plaats van de pijpen op de windlade onafhankelijk blijft van de volgorde van de toetsen is een extra voordeel van een wellenbord. Wie dat wenst kan de baspijpen aan weerszijden van de windlade plaatsen, ook is het mogelijk een verdeling te maken in een C- en een Cis-lade. Bij mijn Opus 10 heb ik van deze vrijheid in opstellen gebruikt gemaakt door de baspijpen in het midden van de windlade te plaatsen, zodat zowel in discant als in de bas de kortste pijpen zich aan de buitenkant van de lade bevinden. Dat maakt de bereikbaarheid voor het stemmen vanaf de zijkanten eenvoudiger.
