kistorgelboek

          Kistorgel met eigen(zinnig) Karakter

De ruimte waarin een kerkorgel zich bevindt verschilt aanzienlijk van de ruimte rond een huisorgel en dat impliceert grote verschillen tussen de beide soorten orgels. Een kistorgel daarentegen moet zich thuis voelen in zowel grote als ook in kleine ruimtes. Het kan dienen om een koor te begeleiden of onderdeel zijn van een klein orkest, vervolgens neemt de organist het orgel mee naar zijn huis om daar te studeren. In een kerk moet de draagkracht voldoende zijn om de grote ruimte te vullen; thuis mag het niet te luid klinken.

Vaak wordt de fout gemaakt een kistorgel vol te proppen met registers, te veel pijpen in een te kleine ruimte gaat ten koste van de diametermensuur. Deze mensuur is direct verantwoordelijk voor de draagkracht van de orgelklank. Het is veel beter om over één Holpijp van ruime mensuur te beschikken, dan te trachten met veel pijpen van enge mensuur voldoende geluid te produceren. Twee zangers samen klinken ook niet twee keer zo luid als één zanger.

De mensuur van de Holpijp 8' is zo gekozen, dat het register voldoende draagkracht heeft om een koor te ondersteunen of voor het gebruik als continuoinstrument. De intonatie is wel gericht op voldoende ontwikkeling van de quint en de terts boventonen en verleent het register een zingend karakter (zie pagina Holpijp). Door de kast helemaal te sluiten is het orgel binnenshuis niet te luid. Het openen van de deuren geeft een flinke versterking van de klank en maakt dat het klankveld veel breder klinkt.

Gewoonlijk wordt naast een Holpijp 8’ als tweede register een Roerfluit 4’ gekozen. De reden daarvoor is ondersteuning te geven aan een te eng gekozen Holpijp. Die reden vervalt hier en daar de klank niet wezenlijk verschilt van de Holpijp is gekozen voor een Roerquintadeen 4'.

Het boek is helemaal in kleur gedrukt
        het maakt ook het kleinste detail glashelde
r

 

maken van conische pijpen
kistorgel
  start   orgelboeken   huisorgels   holpijp   prestant   orgelbouw  bestellen   AKH   contact    link sites

Roerquintadeen 4'

Het is wel aangenaam om naast de Holpijp een tweede register voorhanden te hebben, mits het karakter een goed contrast vormt met de Holpijp en toch in staat is hiermee volledig te versmelten. Een conische Fluit in de discant vervult deze wens op ideale wijze.

De conische bouwvorm is op de tekenpagina te zien.

Voor de baspijpen is gekozen voor de quintadevorm waarvan de zangrijke gedekte baspijpen via een helder roerkarakter ongemerkt overgaan in de conische fluitklank. Het register voegt kleuring en helderheid aan de Holpijp toe en maakt een quint en een tweevoets register overbodig. Beide registers samen versmelten tot één klank.

Het orgel is tweedelig, in de onderkast is plaats voor de windmotor en de balg met de stabiele gordijnregulateur naast enkele baspijpen. De overige baspijpen liggen achter de windlade in de bovenkast.

De bijzondere klank van de Roerquintadeen is bij mij thuis te beluisteren. Zie pagina contact

bouw van kistorgel

 Truhenorgel mit authentischem Charakter

Der Raum rund einer Kirchenorgel differiert beachtlich vom Zimmer mit einer Hausorgel und das impliziert große Unterschiede zwischen beiden Orgeln. Eine Truhenorgel demgegenüber muss sich heimfühlen in beiden Räumen. Sie könnte dienen zum Begleiten eines Chors oder ist Teil eines Orchesters, anschließend wird die Orgel vom Organist zu Hause verwendet. In der Kirche sollte die Tragfähigkeit reichen; zu Hause darf sie nicht zu laut erklingen.

Oft macht man den Fehler eine Truhenorgel voll zu pfropfen mit Registern, zu viel Pfeifen in einem zu kleinen Raum geht auf Kosten der Durchmessermensur. Diese Mensur ist unmittelbar verantwortlich für die Tragfähigkeit des Orgelklanges. Es ist viel besser über nur eine Hohlpfeife 8‘ (Gedackt) von zureichender Mensur zu verfügen, als zu versuchen mit vielen Pfeifen von engen Mensur eine große Lautheit zu erregen. Zwei Sänger produzieren zusammen auch nicht eine doppelte Lautheit.

Die Mensur der Hohlpfeife 8’ ist so gewählt, dass die Tragfähigkeit zureichend ist für Unterstützung eines Chors oder die Verwendung als Continuoinstrument. Die Intonation ist gerichtet auf der Entwickelung der Quint- oder Terzobertöne. Sie verleihen den Klang einem singenden Charakter (siehe Seite Holpijp). Ein ganz geschlossenes Gehäuse verhütet eine zu laut Erklingen im Hause. In der Kirche wird das Gehäuse geöffnet; es verstärkt den Klang und verbreitet das Klangfeld.

Üblicherweise wird in Truhenorgeln neben eine Hohlpfeife 8‘ eine Rohrflöte 4‘ als zweite Register gewählt. Der Grund ist Unterstützung zu geben an einer zu eng gewählten Hohlpfeife. Dieser Grund verfällt hier und da der Klang sich nicht wesentlich unterscheidet vom Gedacktklang ist eine Rohrquintade 4' als zweite Register gewählt.

Allen Seiten dieses Buchs haben Farbdruck
              es macht jedes Detail volkommen klar

achterkant kistorgel
onderkast

Rohrquintade 4'

Es ist angenehm ein zweites Register neben die Hohlpfeife zu haben, vorausgesetzt, dass den Charakter ein Kontrast bildet mit dem Achtfußklang und doch in der Lage ist mit diesem Klang zu verschmelzen. Eine konische Flöte im Diskant erfüllt auf idealer Weise diesen Wunsch.

Die konische Bauweise wird mit Zeichnungen klar.

Für die Basspfeifen ist eine Quintadeform geeignet; die melodiös erklingenden Gedacktpfeifen gehen von einem hellen Rohrklang unmerkbar über im konischen Spitzflötenklang. Das Register fügt Färbung und Klarheit am Gedacktklang hinzu und macht ein Quint und ein Zweifußregister überflüssig. Beide Register zusammen verschmelzen vollkommen.

Das Orgelgehäuse ist zweiteilig, im Untergehäuse ist Platz für das Gebläse und den Balg mit dem stabilen Rollgardinenregulator und einige Basspfeifen. Die übrigen Basspfeifen liegen hinter der Windlade im Obergehäuse.

Die Rohrquintade ist auf meiner Orgel zu hören. Interessenten sind willkommen. Siehe Seite contact