subheader

het bespelen van een orgel in de huiskamer verschilt sterk van het bespelen van een kertkorgel. Een woon- of studeervertrek heeft geen akoestiek; de klanken moeten bescheiden zijn en aangepast aan de kleine ruimte. Bij het ontwerpen van een huisorgel is dat het voornaamste uitgangspunt. Klank en ruimte moeten bij elkaar passen; een klankontwerp moet rekening houden met de akoestische omstandigheden.

Een huisorgelbouwer moet overwegen wat hij van zijn orgel verwacht. Een orgel met mixturen, cimbels of hogere aliquot stemmen (1 3/5 - 1 1/3) heeft een goede akoestische ruimte nodig om deze klanken tot hun recht te laten komen. Bastonen van 16 voet hebben een lange golflengte, er is ruimte nodig om zich te kunnen ontwikkelen.

Het is onmogeijk om een symfonieorkest in eenn huiskamer op te stellen. Niet alleen om de plaats die de musici innemen, maar vooral omdat de orkestklank een goede akoestiek nodig heeft. Een CD van dat orkest kan wel in de huiskamer worden beluisterd. De noodzakelijke akoestische ruimte van de opname wordt door de CD weergegeven. Zo wordt een gesimuleerde ruimte in de huiskamer geschapen waarin akoestische omstandigheden voor een orkestklank aanwezig zijn. Bovendien is het volume aan de hoorruimte aan te passen. Klank en ruimte zijn aan elkaar aangepast.

Met deze uitgangspunten moet een huisorgel worden ontworpen. Het publiek is altijd in de nabijheid - meestal de organist zelf - en samenspelende instrumenten bevinden zich altijd in de buurt van het orgel. Draagkracht is hier niet van belang.
Het spelen op een huisorgel is inspirerender indien het orgel over meerdere achtvoetregisters in verschillende klankkleuren beschikt. Een geheel gesloten kast beperkt de luidsterkte en mengt de klanken beter. Het openen van deuren kan de luidsterkte zo nodig vergroten en het klankbeeld breder maken. Viervoet registers kunnen de klank heel fijn kleuren zonder deze veel te versterken.

Veelal worden voor huisorgelregisters engere mensuren gekozen dan voor kerkorgels, helaas gaat dan de oorspronkelijke klank verloren. Indien de mensuur van Prestant van een kerkorgel enger wordt gemaakt ontstaat de klank van een Viola. Ook in een huisorgel zal deze mensuur een Violaklank laten horen. Voor een goede Prestantklank in een huisorgel is de mensuur van de Prestant van een kerkorgel nodig. De grote luidheid van dit register wordt thuis een stuk vriendelijker door een veel lagere winddruk en de daaraan aangepaste lagere opsnede.

De pijpen moeten wel voor het huisorgel zijn gemaakt; pijpen van een kerkorgel zijn onbruikbaar, niet alleen om hun hoge opsnedes, maar ook andere eigenschappen van deze pijpen maken dat ze te grof zijn voor een huisorgel. In de praktijk is vastgesteld dat de ideale prestantklank voor een huiskamer een mensuur heeft van zes halftonen onder normaal (-6 NM). Het verloop naar de baskant en naar de discant moet aan een huiskamer zijn aangepast.

In een kerkorgel zal de Prestant 8’ versterking ondervinden van een Octaaf 4’. Voor een huisorgel is dat overbodig, dus zal een register met een andere klankkleur hier meer op zijn plaats zijn. Hetzelfde geldt voor een Holpijp 8’. De gebruikelijke Roerfluit 4’ geeft slechts versterking, dus heeft een organist meer aan een Gemshoorn 4’, een Spitsfluit 4’ of een Roerquintadeen 4’.

In het boek “Bouw van een Orgelpositief” zijn veel klanken en de geëigende mensuren daarvoor te vinden.

           Klank van een Huisorgel   -   Klang einer Hausorgel

Zwischen eine Orgel in der Kirche und die Orgel im Wohnzimmer besteht ein großer Unterschied. Wer seine HAUSORGEL in einem Wohn- oder Studierzimmer aufstellt, der weiß, dass die Akustik hier gleich Null ist und die Orgel sollte daran angepasste Klänge kreieren. Beim Entwerfen einer Hausorgel ist das der einzige Ausgangspunkt. Klang und Raum gehören zu einander; der Klangentwurf muss rechnen mit den akustischen Umständen.

Jeder Hausorgelbauer sollte sich überlegen, was er von seinem Instrument erwartet. Eine Orgel mir Mixturen, Zimbeln und höheren Aliquoten (1 3/5 – 1 1/3) braucht einen gute akustischen Raum für diese Klänge. Sechszehn Fuß Basstöne haben eine lange Wellenlänge, sie brauchen Raum zum Entwickeln dieser Wellen.

Kein Mensch versucht ein Sinfonieorchester in seinem Wohnzimmer unterzubringen. Nicht nur wegen des Platzraums für die Musiker, aber vor allem wegen des Orchesterklangs, welche einen großen Raum braucht. Eine CD anhören in einem Wohnzimmer ist kein Problem, da der notwendige akustische Raum bei der Aufnahme anwesend war und von der CD wiedergegeben wird. So wird ein simulierter Raum geschaffen mit den richtigen akustischen Umständen für einen Orchesterklang. Darüber hinaus ist das Volume am Raum anzupassen. Klang und Raum gehören zu einander.

Von diesem Anhaltspunkt sollte man bei der Planung einer Hausorgel ausgehen. Musizieren tut man hier allein oder nur mit wenig anderen Instrumenten. Lautstärke und Tragfähigkeit spielen keine Rolle. Das Spielen auf einer Hausorgel ist inspirierender, wenn die Orgel über mehrere Acht-Fußregister in unterschiedlichen Klangarten verfügt. Ein ganz geschlossenes Gehäuse beschränkt die Lautstärke und mischt die Töne besser. Nach Belieben sind Luken zu öffnen. Dann wird die Tonabstrahlung direkter und das Klangbild breiter. Vier-Fußregister sollten den Klang färben, doch kaum verstärken.

Es ist im allgemeinen üblich für eine Hausorgel engere Mensuren zu wählen als für die Kirchenorgel. Eine Verengung dieser Mensuren führt in einer Kirchenorgel zu anderen Klängen. Dabei wird ein Prinzipal 8‘ zu einer Viola 8‘. Wenn aber in der Hausorgel einen Prinzipal verlangt wird, sollte man keine Violamensur anwenden. Die große Lautstärke wird freundlicher mit einem niedrigen Winddruck. Demzufolge muss auch der Aufschnitt niedriger werden.

Die Mensuren sind also geeignet für eine Hausorgel, doch Pfeifen einer Kirchenorgel sind unbrauchbar, nicht nur wegen des Aufschnitts doch auch andere Attribute sind zu grob für die Anwendung in einer Hausorgel. Mit Probepfeifen ist für einen Prinzipal 8‘ einer Hausorgel -6 HT als beste Mensur festgestellt worden. Der Verlauf zum Basskant und Diskant ist an einem Wohnzimmer angepasst.

Eine Oktave 4‘ gibt für den Prinzipal 8‘ nur eine Verstärkung und keine Färbung. Für eine Hausorgel überflüssig, besser ist ein Register mit einem anderen Klangfärbe. Ebenso für eine Hohlpfeife 8‘ (Gedacht 8‘), meistens wird eine Rohrflöte 4‘ daneben gewählt, doch eine Rohrquintade 4‘, eine Spitzflöte 4‘ oder Gemshorn 4‘ bereichert den Klang wirklich.


Im Buch „Bau eines Orgelpositivs“ sind viele Klängen und ihre geeignete Mensuren zu finden.

kleinorgel
kleinorgel