
Er bestaat een groot verschil tussen het kerkorgel en een orgel dat we thuis willen bespelen. Wie een orgel in zijn leefomgeving neerzet, een woonkamer of een studeerkamer, weet dat daar geen akoestiek is en dat het HUISORGEL zelfstandig zijn eigen klanken laat horen. Bij het ontwerpen van een orgel is dat het voornaamste uitgangspunt! Het klankontwerp moet hier niet technisch maar psychologisch worden benaderd, waardoor duidelijk wordt welke wetten er zijn die de klank van het orgel bepalen.
Een huisorgelbouwer moet overwegen wat hij van zijn orgel verwacht. Een orgel met mixturen, cimbels of hogere aliquot stemmen (1 3/5 - 1 1/3) tegenover 16 voet bastonen zal in een woon- of studeerkamer niet meer dan een slechte imitatie van een kerkorgel laten horen. Een acteur leert hoe hij zijn stem zo kan beheersen dat hij ook de laatste rij in het theater bereikt. Maar in een TV studio is de toeschouwer – de camera – dichtbij; hier moeten de emoties genuanceerd worden gebracht; kleine bewegingen en lichte accenten zijn voldoende.
Niemand zal proberen een symfonieorkest in zijn huiskamer op te stellen. Maar een solist kan hier heel subtiel articuleren en zijn muziek klinkt dan verfijnd en gevoelig. Met deze uitgangspunten moet een huisorgel worden ontworpen. Het publiek is altijd in de nabijheid - meestal de organist zelf - en samenspelende instrumenten bevinden zich altijd in de buurt van het orgel. Luidsterkte en draagkracht zijn hier niet van belang.
Het spelen op een huisorgel is inspirerender indien het orgel over meerdere achtvoetregisters in verschillende klankkleuren beschikt. Een geheel gesloten kast beperkt de luidsterkte en mengt de klanken beter. Het openen van deuren kan de luidsterkte zo nodig vergroten en het klankbeeld breder maken. Viervoet registers kunnen de klank heel fijn kleuren zonder deze veel te versterken.
Veelal worden voor huisorgelregisters engere mensuren gekozen dan voor kerkorgels, helaas gaat dan de oorspronkelijke klank verloren. Indien de mensuur van Prestant van een kerkorgel enger wordt gemaakt ontstaat de klank van een Viola. Ook in een huisorgel zal deze mensuur een Violaklank laten horen. Voor een goede prestantklank in een huisorgel is de mensuur van de prestant van een kerkorgel nodig. De grote luidheid van dit register wordt thuis een stuk vriendelijker door een veel lagere winddruk en de daaraan aangepaste lagere opsnede.
De pijpen moeten wel voor het huisorgel zijn gemaakt; pijpen van een kerkorgel zijn onbruikbaar, niet alleen om hun hoge opsnedes, maar ook andere eigenschappen van deze pijpen maken dat ze te grof zijn voor een huisorgel. De gemiddelde kerkorgelprestant heeft een mensuur van vier halftonen onder normaal (-4 NM); in de praktijk is vastgesteld dat zes halftonen onder normaal (-6 NM) de ideale prestantklank in een huiskamer laat horen. Het verloop naar de baskant en naar de discant is aan een huiskamer aangepast.
In een kerkorgel zal de Prestant 8’ versterking ondervinden van een Octaaf 4’. Voor een huisorgel is dat overbodig, dus zal een register met een andere klankkleur hier meer op zijn plaats zijn. Hetzelfde geldt voor een Holpijp 8’. De gebruikelijke Roerfluit 4’ geeft slechts versterking, dus heeft een organist meer aan een Gemshoorn 4’ of een Roerquintadeen 4’.
In het boek “Bouw van een Orgelpositief” zijn veel klanken en de geëigende mensuren daarvoor te vinden.

Zwischen eine Orgel in der Kirche und die Orgel im Wohnzimmer besteht ein großer Unterschied. Wer seine HAUSORGEL in seiner Lebumgebung aufstellt, einem Wohn- oder Studierzimmer, der weiß, dass die Akustik hier gleich Null ist. Beim Entwerfen einer Hausorgel ist das der einzige Ausgangspunkt. Die Klanggestaltung sollte man hier nicht technisch, doch psychologisch annähern, damit klar wird, welche Gesetze den Hausorgelklang bestimmen.
Jeder Hausorgelbauer sollte sich überlegen, was er von seinem Instrument erwartet. Eine Orgel mir Mixturen, Zimbeln und höheren Aliquoten (1 3/5 – 1 1/3) gegenüber 16-Fuß Basstönen würde in einem Wohn- oder Studierzimmer nur zu einer schlechten Imitation einer Kirchenorgel führen. Ein Schauspieler lernt seine Stimme so zu beherrschen, dass er die letzte Reihe des Theaters erreicht. Aber im Fernsehstudio ist der Zubehör – die Kamera – nur wenig entfernt. Hier muss der Schauspieler seine Emotionen nuanciert bringen; kleine Bewegungen und subtile Akzente reichen.
Kein Mensch versucht ein Sinfonieorchester in seinem Wohnzimmer unterzubringen. Wenn aber in diesem kleine Raum einer Musiker eine Soloinstrument spielt, kann er ganz präzise seine Artikulation gestalten und dann klingt die Musik fein und intim. Von diesem Anhaltspunkt sollte man bei der Planung einer Hausorgel ausgehen. Musizieren tut man hier allein oder nur mit wenig anderen Instrumenten. Lautstärke und Tragfähigkeit spielen keine Rolle.
Das Spielen auf einer Hausorgel ist inspirierender, wenn die Orgel über mehrere Acht-Fußregister in unterschiedlichen Klangarten verfügt. Ein ganz geschlossenes Gehäuse beschränkt die Lautstärke und mischt die Töne besser. Nach Belieben sind Luken zu öffnen. Dann wird die Tonabstrahlung direkter und das Klangbild breiter. Vier-Fußregister sollten den Klang färben, doch kaum verstärken.
Es ist im allgemeinen üblich für eine Hausorgel engere Mensuren zu wählen als für die Kirchenorgel. Eine Verengung dieser Mensuren führt in einer Kirchenorgel zu anderen Klängen. Dabei wird ein Prinzipal 8‘ zu einer Viola 8‘. Wenn aber in der Hausorgel einen Prinzipal verlangt wird, sollte man keine Violamensur anwenden. Die große Lautstärke wird freundlicher mit einem niedrigen Winddruck. Demzufolge muss auch der Aufschnitt niedriger werden.
Die Mensuren sind also geeignet für eine Hausorgel, doch Pfeifen einer Kirchenorgel sind unbrauchbar, nicht nur wegen des Aufschnitts doch auch andere Attribute sind zu grob für die Anwendung in einer Hausorgel.
Ein Prinzipal 8‘ einer Kirchenorgel wird sich rund – 4 HT Normmensur bewegen. Mit Probepfeifen ist für eine Hausorgel -6 HT als beste Mensur festgestellt worden. Der Verlauf zum Basskant und Diskant ist an einem Wohnzimmer angepasst.
Eine Oktave 4‘ gibt für den Prinzipal 8‘ nur eine Verstärkung und keine Färbung. Für eine Hausorgel überflüssig, besser ist ein Register mit einem anderen Klangfärbe. Ebenso für eine Hohlpfeife 8‘ (Gedacht 8‘), meistens wird eine Rohrflöte 4‘ daneben gewählt, doch eine Rohrquintade 4‘ oder Gemshorn 4‘ bereichert den Klang wirklich.


